Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—1 „Morgen...! morgen...!" drong bevelend en smeekend tegelijk madame Legüenne nog eens. Zij stond snel op en sloot het raam.

Julie was juist de huisdeur binnengekomen, het mannetje ook.

— „Als zij nu maar doorgaat," dacht madame Legüenne; de eene hand aan de tafel geklemd, de andere pijnlijk in de zijde gedrukt, stond zij in haar ergste pose van doodzieke vrouw.

Maar Julie had het hoofd al om de deur gestoken.

— „Verbeeld je, die Camille van de melkvrouw..." wou ze gauw even vertellen, als het mannetje, bruusk en bot haar opzij liep.

Een oogenblik keek hij met een brutaal spottende verwondering naar de vrouw bij de tafel...

— „C'est ga... vous voila concierge... on aura au moins son argent!" snauwde hij sarcastisch, nijdig zijn klein hoofd naar haar toe. De bleeke oogjes onder de wittige wenkbrauwen keken kippig genepen en meteen wijden grijns van diepe rimpels er om heen.

Madame Legüenne was teruggevallen op den rand van haar stoel... een duizelige verwardheid streek door haar starre, wijde oogen: zoo had hij haar nog nooit behandeld... hij had toch altijd meelij met haar gehad... en wat kwam hij nu in den avond doen ? Een dolzinnige angst voor onheil bevloog haar.

Zij stond weer op. Dan schoot de gedachte in haar omhoog, dat zij er frisch uitzag... knap... even, liefjes, poogde zij naar hem heen te oogen, maar nauwelijks had haar blik den zijne ontmoet, dat paai- waterig blinkende gleufjes, wier omringende rimpel-nijdigheid haar van het hoofd tot de voeten monsterde, of haar oogleden vielen zwaar weer neer en haar mond beefde.

Sluiten