Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jozette kleurde nog feller... zij had er dien middag over getwist met Aristide...: „Waarom heb je hem Bouboule z'n raam niet laten kijken ?" had ze verweten, en Aristide had toen gëantwoord, dat de ander het toch niet mooi zou hebben gevonden, en dat hij er trouwens ook niet op had aangedrongen... „Je kon het hem uit je zelf wel hebben laten zien," had Jozette dan gezegd...

Waarom jokte hij nu?... Wat was dat?... Als een plotselinge benauwing kwam het weer over haar, de angst voor het leven en de angst voor zooveel, dat ze in Aristide niet kende.

Célestin had nog eens opzij gekeken naar Jozette; hij was heel stil geworden.

— „Lieflijkheid... natuur-getrouwheid... dichterlijk gevoel, dat zocht je tevergeefs tegenwoordig in de kunst," — vertelde Aristide voort, — natuurlijk, zoo'n Duitscher drukte zich wel wat wonderlijk uit... maar toch... Die zwager van zijn Gezant had nu al den derden décorateur... geen die hem voldeed...

Ze waren de Observatoire-laan ten eind, moesten bij het oversteken der Rue Auguste Comte even opletten... de roode wiele-wenteling van een leêgen fiacre, achter een sukkelenden knol, gleed hun rakelings langs de voeten, terwijl vlak daarop van den anderen kant, met het maatvast-klepperend getrappel van twee paarden in rappen draf, een equipage nader-ijlde...

Dan, in den Luxembourg gekomen, gooide Aristide het in 't gekke en op het verlaten schemerpad hen staande houdend, mimeerde hij den Duitschen professeur: hij kwam met diens omzichtig tippende stappen op hen af, overdreef diens gebaren van hoffelijkheid, vroeg zot-deftig: „est-il permis de

Sluiten