Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hingen de al geel-groene papieren bladeren te kantelen aan de dun-blauwe lucht. Rechts zag hij even de mooie oude daken van de Maternité, dan keek hij links het diepe koele bosch in van den Val-de-Grace... Hij voelde zich toch verlaten op dien boulevard van bijna enkel muren, waar zeldzaam een menschfiguurtje bewoog en verdween in een eenzaam huis-blok, en waar het voorbij-gieren der electrische trams het eenig stadsgeluid was.

De boulevard werd voor-even een brug, waar onderdoor, in de diepte, een straatje liep, heen naar een oud kerkje...: daar was hij nog nooit geweest... dat zag er beter uit! Hij daalde de ijzeren trappen af, die in de donkere, wee-stinkende brugge-hal uitmondden; en zoo ging hij de armelijke straat in en kwam op het armelijke marktje, waar wat gedoe van groente en kartonnige schairretjes en verregend fruit in manden en op wagens met oubollige wijven erbij, hurkte en schurkte aan de mottige muren van het oude kerkje St.-Médard, dat hing aangezakt tegen den vooruitstekenden zijwand van een huis, bont van schelle en verscheurde reclame-plakkaten.

Binnen den verwijderden geluiden-chaos, komend van de naburige groote straten en boulevards, en als één aan-houdend roezend geraas aanwezig in de lucht, — klonk duidelijk-onderkenbaar in dat afgezonderde oude hoekje midden in het groote-stads-leven, een klein geschuifel van voeten, het blaffen van een hond en het getater van een paar rauwe stemmen. Célestin zag het gele tandelooze masker van een kereltje, ginnegappend met belo open oogjes om een grol tusschen drie koopvrouwen, die, vastgemeerd achter haar wagens met haar kwabbende en puilende lijven, uit voos-rood gezwollen koppen elkander

Sluiten