Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Jozette...!" dacht hij nog eens. Een weeë pijn vlijmde om zijn hart.

Met een ruk trok hij zijn baret op den anderen kant van zijn kop; dan trok hij hem heelemaal af, liep een eindweegs met het gezicht öp in de koelende bries over het water, en keek de wijde lucht in, zoo blij blauw met de groote, vrije, witte wolken, aanvarend over de hooger en hooger rijzende architectuur van de Notre-Dame.

Hij lette op, hoe onder het loopen de broze bogen der arcs-boutants verschoven voor en uit elkaar en hoe de fijne kartelige torentjes aan den buitenkant zacht voortbewogen langs het blinkend dak; de spitse flêche wandelde zoetjes weg van tusschen het vierkante toren-paar...

Dan wendde hij de oogen af en, ze even sluitend soms, hield hij zijn voorhoofd gansch aan den wind.

Als een slungelige pias van een straatjongen hem voor de voeten liep en met een grinnik naar zijn waaiende haren wijzend, een „eh! la belle perruque!" spotte, werd Célestin plotseling verlegen. Een paar voorbijgangers hadden gelachen. Hij zette zijn baret weer op, ging staan kijken voor de boeken-vitrines op den borstmuur... hij liep ze langs, zonder met kijken op te houden, las al gaande de titels die zijn oog vond, drie, vier titels in elke doos... 't werd een doffe starheid in zijn kop... hij moest blijven kijken en namen lezen...

De bruggen met hun warrel van menschen en omnibussen en rijtuigen, onderbraken soms in een vage vlaag van anders-willen zijn willoos getuur: zou hij de tram nemen naar de groote boulevards ? zou hij naar de Hallen gaan? naar den Louvre? — maar hij deed 't een noch 't ander. Hij hield maar het stijgend en dalend trottoir langs den kade-muur,

Sluiten