Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

graniet, zonder versiering, maar van zeer edelen vorm, en uit welks groenig-koel water-rond een kleine zilveren straal sprankelend klom en daalde; twee witte duiven zaten op den rand der schaal, nepten even aan het water, vleugel-klepten, en dreven weer weg in de boomen; twee andere, grijze, vlerkten aan en zegen neer...

Aan den weg, vóór die stille fontein, stond een bank, overgoten van lommer.

En Célestin, plotseling, had een smartelijk-wild verlangen, daar te zitten, op die bank, bij dat waterbekken en die duiven, en met in zijn arm een klein, lief vrouwtje, dat van hem zou zijn, dat hij tegen zich aan zou trekken, en kussen.

Hij viel zijdelings op de bank neer, zijn armen op de leuning en begroef zijn gezicht in zijn heete handen; door de stilte van de verlaten laan hoorde hij het eigen adem-jagen en het kreunen, dat perste uit zijn benauwde borst.

Dan keek hij beschaamd voor zich uit.

Hij zag Aristide, lang, slank, met zijn blonde, fijne gezicht en zijn droomende, grijze oogen, hoe die hier wandelen zou op dezen weg, en Jozette, zoo aanhankelijk naast hem, aan zijn arm, haar oogen naar hem op...

— „Oui! oui! oui!" mompelde hij. Hij wreef aandachtig den karbonkel van zijn baret glimmend, zette de muts vast op zijn dikke haren.

Hij stond op, talmde nog even, keek zoo maar eens leeg rond, sloeg dan de Avenue Marigny in, naar den Pont Alexandre heen.

Er was daar, dien morgen, aan het eind der laan, voorbij de wemelend-lichte opening op de ChampsElysées, een onophoudelijk gerij, een wriemeling van al maar voorbijschietende rijtuigjes tegen een

Sluiten