Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

warrelige wriemeling in, van al maar voorbijschietende andere, daarachter.

En Célestin kreeg een dollen slag door zijn kop: — als je ongelukkig was,... dan gooide je je daartusschen... dan was je eruit...

Maar dadelijk trok hij zijn massieve schouders op en hij lachte triest... ja, dat zou je kunnen doen, maar dat deê je natuurlijk niet...

Hij wist wel, dat hij zóó ongelukkig niet was, en dat gaf hem opeens weer een nieuw en machteloos verdriet... zóó ongelukkig zou hij willen zijn... zóó ellendig willen wezen om Jozette... bah! zijn corpus was te soliede... kón hij wel zoo ellendig zijn?

Zijn goeiig-trouwe, blauwe oogen met den kinderlijken, klaren opslag onder de wat ongevormde breede brauwen, zagen treurig en donker en als van tranen verwaasd... uit zijn jaszak puilde het gele vloei met de twee croissants, die hij in de Avenue Gabriel had willen opeten.

Célestin zag werktuiglijk-helder de drukte, die hier nu langs hem toog; het gesliffer was al bijna voorbij van een afdeeling soldaten, — hij zag de gelijkelijk loopende vaal-roode slobber-broeken en de slingerende roze handen; een officier marcheerde een eindje erachter; zijn wijde pantalon was rijker rood en stiller zwaaide de bruin-glacé vuist; een fiets met een witte mand voorop scheerde tusschen den officier en de soldaten door.

Terzijde, onder het koele kastanje-loof, reden twee ruiters stapvoets nader.

Over den oprij van het kleine theater aan den anderen kant, was een knerpen van twee auto's en een victoria'tje; en een vrouw reed daarvandaan, alléén in een zwart-glimmenden electrischen landauer, die, met den strakken zwart-en goud-livxeiden chauf-

Sluiten