Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdriet, dat hij als iets vreemds en toch zoo eigens tegelijk, terugvond op den bodem van zijn hart.

IV.

Toen Vrijdags in den morgen — den eersten September — de kist met de zorgvuldig in vloei gerolde teekeningen door Célestin en Aristide eigenhandig de huisdeur was uitgesjord en op het handkarretje van den kruier getild en zij den man met z'n wagentje tot aan den hoek der eerste zijstraat hadden nageoogd, trokken zij zelf de stad in voor 't koopen van nog een paar laatste reisbenoodigdheden. Met den avond-trein van vijven zouden zij naar Roubaix gaan.

Sinds een jaar bijna waren zij nu in Parijs; zij gingen zich eens laten kijken daarginder, zoo bij gelegenheid van hun eerste werk, dat er zou worden tentoongesteld. Aristide's moeder en Célestin's oom, die vóór alles den studie-tijd der jongens wilden ontzien, hadden nog niet geklaagd over de lange afwezigheid — met Kerstmis alleen was Aristide drie dagen thuis geweest —, maar het wenschelijke der aanstaande overkomst was hun van-hooger-af te kennen gegeven, de laatste maal dat men uit Roubaix het maandelijksch bedrag hunner toelage had opgezonden.

Aristide was, den ganschen vorigen dag al, met de savant-overlegde toebereidselen voor deze reis in de weer geweest; hij had de ijdelheid, als een echt Parijsch heer te willen verschijnen voor al zijn oude bekenden in Roubaix...

Met een fijngespitsten smaak had hij samen met Jozette bij Délion op den Boulevard des Capucines twee der nieuwste créatie's van heerendassen ge-

Sluiten