Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Célestin had zich niets nieuws aangeschaft. Hij was zijn haar wat gaan laten bijknippen... hij had zijn Parijsche schildersbaret... hij had zijn pasgekochte witte hoedje... hij had ook nog een paar gele schoenen, die hij weinig droeg, omdat ze hem wat knelden op de wreef; en daar hij zijn hakken altijd scheefliep, was hij bij den schoenlapper aangegaan om die te laten bijwerken. Voor zijn oom, den koster, nam hij een groote photographie van de Notre-Dame mee. Dien laatsten morgen kocht Aristide toen nog zoo'n zelfde, wat kleinere photographie voor zijn moeder en een kanten kraagje voor Jozette, waar die verrukt over was.

Om half vier, met hun drieën — Jozette bracht ze snaar de tram — gingen ze uit huis; Célestin en Aristide droegen elk hun koffertje, Aristide een grijs linnen valies met geel leêren hoekjes, Célestin een vierkant zwart-bordpapieren knolletje van een onbegrijpelijke herkomst; Célestin had ook zelf de teekeningen meê willen nemen, doch dat was door Aristide dadelijk geketst: nee, ze zouden als heeren in Roubaix komen; hij wou daar niet als een pakjesdrager over het perron zwoegen en zelf „compliment en hier waren de teekeningen" naar het gebouw gaan.

Jozette liep wat stil tusschen ze in; zij had van te voren vaak opgezien tegen het lastig jaloersche, dat Aristide zeker zou hebben, voor hij wegging; ze zou dit niet mogen en dat niet, hij zou haar gansche dagen Willen regelen, van 's morgens zus en 's avonds zoo... Hij was liever tegen haar geweest en verliefder dan ooit, maar hij had met geen VTaag zelfs haar vrijheid beperkt. Ze zei zich, dat die jaloerschheid nu ook geen zin meer had, omdat zij Thierry ergens in Normandië wisten en van

Sluiten