Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de zacht-wuivende bleeke seringen, het boeide haar oog niet; zij ging dan wel onder de rood-röze meidoorns, die langs de buigende balustraden den terrassen-kring rondrijen, maar ook de overzoete geur daarvan was haar geen verkwikking. Zij hield van kruidige of vreemdsoortige roken, als de reuk van thijm en anjelieren, van hooi en Oost-Indische kers.

De volle sterke walm, nu, die uit de zonne-broeiing dier nazomersche bloemenweelden opsteeg, die walm zonder bepaalden geur, een walm van groei en groen en veelbesproeide, zware aarde, met een plotselinge teug daartusschen van een feilen afrikaander of een heetgestoofde laatste heliotroop, — die steeg haar genotvol tegemoet. Zij liep en ademde daarin als in een atmospheer, die bij haar hoorde.

Zoo, rustig, drentelde zij de laatste bloemvakkingen langs, stond even stil bij een tuinjongen, die, voorzichtig stappend tusschen het lagere gebloei, uit de floxen de dorre bloemprutsjes wegplukte; zij keek nog eens om, genoot van de keurigheid van het onderhoud: in die duizenden bloeisels geen verlept blaadje, dat hangen bleef, alles frisch en ongeschonden, in volle zuiverheid van onverwelkte kleuren.

Dan liep zij de wijde uitgangslaan af, waar 't woelig balspel der jongens haar vermaakte, nam de Avenue de PObservatoire. Zij liep hier vlugger. Onder de winterig-kale kastanjerijen, waarvan telkens nog een bruin-geel blad naar beneden kwam gezworven, lagen bleek-malsch de rijpe begonia-bedden uit, meer materie dan kleur, de vocht-broze bloemen dof-wassig wit en geel, en het harige blad, zwaar van opgezwolgen sappen, buigende aan den brossen, rözen steel.

Een huis vol menschen. 16

Sluiten