Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij hield niet van die ongezonde bloemen, stevende schokkend dóór, recht af op Carpeaux' fontein, zilverruischend van kruisende waterstortingen. Zij was dol op die steigerende stroompaarden, wier bronzen borsten, bespoten door de schildpadden óver hen in den regen-bespikkelden vijver, dropen en gutsten van glinsterend nat!

Als zij daar even had gestaan, en haar hoofd gefrischt aan den stuif-nevel, die met den wind van de kletterende stralen-bruising henendreef, — stak zij het plein over naar het square'tje, kocht daar, aan de kiosk, haar avondcourant, nam dan den omweg langs Ney's standbeeld... even moest zij gluren of de Gros' wel op hun bankje zaten; dat was zoo haar dagelijksch amusement.

Gros, zijn hoed naast zich, leunde achterover, den buik vooruit, de beenen daaronder vadsig vaneen puilend, de voeten gedwee weer naast elkander op het zand. Zijn ronde hoofd lag met de snor-overschaduwde, blauw-zwarte kin op zijn frontje gezonken; onder de zware brauwen glommen prettig, in gekijk naar het menschen-beweeg langs hem heen, de kleine, grijze oogen. Zij, haar bleek spits gezicht strak onder het kapothoedje, zat paalrecht naast hem; even keek zij met haar troebel banglijk blikje terzij, in herkenning en met een vaag-onrustig weten van bekeken te worden, wendde dan schichtig het hoofd weer af.

— „Zot volk!" dacht madame Dutoit; ze was blij, dat zij ze daar weer betrapt had, en in haar schik kuierde zij naar huis en ging voor Herz de schoteltjes warmen, die jeanne des morgens had klaargemaakt.

Maar den volgenden dag was die kalmte gansch en al omgeslagen.

Sluiten