Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Jeanne, wat is een „Vergiss-mein-nicht" ?" — „Jeanne, weet je waar Metz ligt?" — „Jeanne, wat beteekent: „aetemum vale!"?" — zoo woelde en werkte haar rustelooze geest en luchtte zich aan het ééne weerlooze levend wezen in haar nabijheid; zoo beschoot zij Jeanne met haar vragen van-uit de meest onverwachte geestes-kronkelwegen, waarlangs hare koortsige gedachten één vast punt omtrokken.

Ieder jaar, tegen half September, ging Herz den Rijn en den Moezel langs, om zelf bij de groote wijnplanters zich van de Duitsche wijnen te verzekeren, waarvoor hij in Parijs en daarbuiten zijn vaste afnemers had. Hij bezocht dan meteen zijn familie in Lotharingen.

Die jaarlijksche wijnreizen waren de kwelling in het leven van madame Dutoit. Jaloersch was zij niet; minstens drie van de zeven dagen der week zat Herz dan hier, dan daar, en nooit had zij een seconde achterdocht over het gebruik van zijn tijd. Maar die Duitsche jodenfamilie in Lotharingen, die haatte zij als de pest; zij haatte dat Sarreguemines waar Herz vandaan kwam — Saargemünd, zooals hij met een plotselinge aandoenlijkheid zeggen kon; en op zoo'n oogenblik, in hem, die anders zoo heelemaal een gewoon Franschman leek, even zuiver Fransch sprak als zij, en zoo bijna niets joodsch had, — op zoo'n oogenblik haatte zij in hem, wat er nog restte van den Duitscher, maar vooral van den jood. Dat „Saargemünd," dat was haar, wanneer zij er op eenmaal aan dacht, als een stil-klef, schijndood weekdier, daar ergens in een aquariumachtige schemering; het was ver en onbeweeglijk en zonder dadelijk gevaar, maar het wachtte, het loerde, geduldig, tot het ééns, op een langzaam

Sluiten