Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij trouw in het magasin, weerszij het toonbankje bij de deur; tusschen hen in stond de kleine witporceleinen lamp met zijn laag het licht onderscheppenden, rood-en-goud kartonnen kap. Daar, de lange avonden door, gingen hun heftige, leerstellige twistgesprekken, vurig-overredend van de eene, taai-volhoudend van de andere, ontaardend vaak in felle oneenigheden, die zij een volgenden avond dan weer uitvochten en in de beste verstandhouding bijleien. Zij noemden elkaar altijd Madame Bertin en Madame Dutoit en zij zochten elkander enkel om dat partnerschap in het redetwisten. Zij hadden niets gemeen dan hun anti-clericale gebetenheid, en een flauwe toenadering naar verwant gebied in den nog onbestemden vegetarischen hang der eene, en de nevelige theosophisch-spiritistische neiging der andere.

Doch verder dan een vage sympathie ging dat niet en hun anti-clericaalheid was van zoo verschillenden aard, dat er ruimte bleef voor hakken en zetten naar believen.

Bij madame Dutoit was het een joyeus ongeloof, een zot vinden van den eeredienst, een scheef-praten van de dogma's, een kip-ik-heb-je tegenstrijdighedenbetrappen in het bijbelverhaal. Haar pastoortjes en patertjes en kapelaantjes vond zij ergerlijk bekrompen, ietwat zielig, en ridicuul; overigens waren 't prachtige prooien voor haar spitsvondige overrompelingen. Zij waren eigenlijk het vermaak van haar dagen; en zij betaalden nog bovendien.

Madame Bertin daarentegen lieten eeredienst, dogma en geloof vrijwel onverschillig; zij had een verstandelijken, regelrechten haat tegen alles wat „het priesterdom en de nonnenklieken" betrof. Men moest den smadelijken klank van haar stem hooren,

Sluiten