Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er was een groote, zuivere vreugde in haar hart.

Wat zaten zij daar nu vredig samen aan het eenvoudig avondeten, elk zijn onschuldig glaasje „eau rougie" naast het bord; en Jozette, die zoo keurig en bescheiden at, als zij het haar keurigste leerlingetjes maar had kunnen leeren, en die onderwijl zoo een genoeglijk tafelgesprekje voerde... O! als zij rijk was, zou ze dat meisje wel altijd bij zich willen houden!

En weer dacht ze: — als ik haar toch eens op den goeden weg kon brengen, nu ik haar zoo alleen heb...!

Toen de blanquette-schotel bijna leeg was en Jozette al twee maal had bedankt, stond het oude vrouwtje zelf op om de kruimpjes van 't servet te vegen, en zij haalde nog een dessert je voor den dag van een stukje Gruyère en een schoteltje met drie perziken.

Ze had graag willen vragen, hoe lang de twee schilders wegbleven, doch dat viel haar te moeilijk.

En terwijl Jozette de tafel weer leeg ruimde, was er maar al in haar vriendelijk vogelhoofdje een drang van bedenkingen, die haar koontjes deed blozen en haar stil maakte en afgetrokken.

Ze moest haar niet veel alleen laten, dat was zeker; ze berekende of de beurs het toeliet, om haar iederen dag ten eten te hebben... dat was wel bezwaarlijk, maar het zou kunnen; ook was er een vage dwaling van spreuken door haar gedachten, iets van winnen door liefde, en van de deugd aantrekkelijk maken... als ze eens een middagje met haar uitging?

Maar daar schrok ze toch nog voor terug. Hier op haar stille kamer in de nok van het huis, waar zij niemand zagen en niemand hen zag... maar buiten,

Sluiten