Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer ze voor haar rentejes naar de spaarbank moest, hoe ze met haar maandgeld stond; — ook nu, zoo gauw ze wat moeilijk-moe ging loopen, dwaalden een enkele maal haar gedachten weg uit de omgeving, verdoezelden even in klein gemijmer, tot, met een schokje, zij weer bij de werkelijkheid terug kwam. Haastig zocht ze dan iets te zeggen, zei het met een wat opgeschroefde levendigheid, zoodat Jozette, overrast, niet dadelijk met een natuurlijke belangstelling er op in kon gaan, iets vaags antwoordde of stil bleef.

Dan had mademoiselle Villetard een plotselingen schrik, alsof er iets gewichtigs mislukken ging.

— „Gek... Bouboule... toen hij wegging..." dacht Jozette. Op eens herinnerde zij zich hoe Aristide een maand of wat geleden zei: „hij gaat nooit meer met dat juffertje van hem uit..." Een golf van allerlei pijnlijke gedachten kwam in haar opgestuwd. Dan, och nee,... 't was enkel Bouboule's goedigheid, hij was altijd zoo vol zorg voor Aristide en voor haar... nee, nee, daar vergiste zij zich in...

Maar, o! wat ze blij zou zijn als haar jongetje er weer was! Zij voelde zich op eens, hier op hun gewoonlijken weg, zoo onwennig verlaten loopen naast het oude vrouwtje, dat haar vreemd was geworden of zij ze vandaag voor het eerst zag.

— ,,'t Is iets heel bizonders, voor 't eerst met iemand op straat gaan," dacht zij.

— „Dat weet je misschien niet, Jozette," kwam plotseling met dat jachtig toontje in haar stem de oude vrouw: „Cluny was oorspronkelijk een Romeinsch paleis en later hebben de oude Fransche koningen er gewoond..."

Ze liepen de Place de la Sorbonne langs, keken even voor een winkelraam met aardewerk, sloegen

Sluiten