Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

selle Villetard haar vijf rouwschreiers op het graf van „Philippe le Hardi" terugvond... dat was altijd een stokpaardje van haar geweest.

Dan bezagen zij vluchtig de oude Romeinsche badzaal, waar eigenlijk niets te zien viel... zij gingen weer langs Vlaamsche gobelins, langs altaarstukken en kerksieraden en grafmonumenten... een groep der drie schikgodinnen van Pilon vond Jozette mooi, maar mademoiselle Villetard dreef haar voort... hier, dit was interessant, de mantels en ketenen van de Ridderorde van den Heiligen Geest...

Eindelijk, moe en warm, kwamen zij in de groote zaal der oude galakoetsen.

Jozette, die het „Musée des Voitures" in Versailles kende, vond hier niet veel nieuws; maar mademoiselle Villetard draafde nog zoo welgemoed lusschen al de vergulde en beschilderde karossen en draagstoelen en arresleden rond, en bij het zwenken langs de portieren en de disselboomen had het klein naïef sleepje van haar zwart japonnetje zulke aandoenlijke rukjes en wendinkjes van schichtigen ijver, dat Jozette niet anders kon doen, dan als een gezeglijk meisje er maar achter aan loopen en luisteren en kijken...

Het liep toen tegen half vijf.

Mademoiselle Villetard zat op een bank in een hoek der zaal. Zij was doiodaf; haar zwart luifelhoedje met de paarse violen stond schuin voorover op de uitgezakte haargordijntjes, die zij, verlegen glimlachend, probeerde bij de strijken. Met haar zakdoek bette zij zich het voorhoofd, dat klam was, en haar halsje onder de kin. Een klein sliertje haar hing langs het oor over de linkerwang. Zij zuchtte, in de lichtelijke verwondering van eensklaps gekalmeerde opwinding.

Sluiten