Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een hoed naaien en zij keken uit de hoogte neer op 't heele atelier... bespottelijk! alleen omdat zij den godganschen dag in mooie jurken door de pas-salons sleepten...

De twee meisjes, met veel steels-gewijze blikken en verholen onder-haartjes, leefden in die gesprekken heel een afzonderlijk leven van voorstellingen en belangen en achterbakschheden.

— „Zoo zoio," zei mademoiselle Villetard nu en dan, „zoo zoo!" 't Was maar goed, dacht zij, dat de twee daar van te voren haar hart eens over hadden kunnen uitstorten... 't Was zoo niets voor Jozette.

Er was de vage bevinding in haar hoofd, dat 't toch heel andere meisjes waren dan ze, zoo van een vluchtig buurpraatje op 't balcon, gemeend had; maar ze wilde zich daar niet door laten teleurstellen.

Zij was opgestaan om de groote lamp aan te steken.

Cateau en Léontine, dadelijk, wierpen zich met een stuggen ijver op haar werk; een gelijk eind van 't afgewerkte patroontje hielden zij in de linkerhand, twee kleine schulpjes telkens en een grooter, waarin drie gaatjes.

De tijd verliep treuzelig en toch te gauw. Mademoiselle Villetard, onrustig, had voor de tweede maal de grenadine ingeschonken; elke paar minuten nam eerst Cateau, dan Léontine, een muizenteugje van haar glas, zoodat het in minder dan geen tijd leeg wais geweest. Ver voorovergebogen zaten zij onder de laag schijnende, omkapte lamp; de balcondeuren stonden open op den zachten avond vol klaren sterrengloor.

Toen, bij half negen, kwam Jozette; zij droeg haar wit batisten blousje en haar wit linnen rok

Sluiten