Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mademoiselle Villetard genoot van de beginnende eensgezindheid; ze had het toch wel goed voiorzien, 't zou wel pakken, als zij den moed maar niet opgaf! Zij schonk nog een glaasje grenadine in.

De schimmetjes, voor het eerst dien avond, hadden haar werk terzij gelegd; ze deden wat zenuwachtig frutselend met de onwennig leege vingers onder het betoogend praten en kregen kleuren op de ingespannen voorhoofden.

— „Worden alle winkeliers niet rijk?... alle soort winkels moesten door de menschen zelf worden aangepakt, en dan werden de bedienden stellig nog beter betaald," zei Léontine, die het sterkst in 't redeneeren was.

— „Zeker, zeker," stemde Jozette toe.

Nu was het oogenblik van verzustering dan toch wel aangebroken, meende mademoiselle Villetard, die nauwkeurig de gemoeds-schakeeringen zat na te gaan! Met een paedagogische gevatheid zei ze: „Het oude ouvrière-hart verloochent zich toch nooit, nietwaar Jozette?" en tegen de meisjes: „Mademoiselle is vroeger ook bij het vak geweest."

Jozette kleurde fel... waarom moest Mademoiselle dat nou zeggen ? begreep zij dan niet, hoe onaangenaam haar dat was...?

De twee, gretig opeens bij het geval, hadden een snellen loensblik naar elkaar; zeg, hoor je dat? — en de andere terug, met iets geniepigs, dat in haar oogen verzwom: nou, ze is dan nou van een ander vak!

Bij Jozette trok een booze voor diep tusschen de oogen.

„Is u ook modiste geweest?" vroeg Cateau, liefjes ongeloovig.

„Nee, corsetière," zei Jozette, uit de hoogte.

Sluiten