Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zag hij Legüenne en diens vriend Bonneau het trottoir afkomen.

Die waren van 's morgens tien uur af al samen uit, hadden in een half dozijn kroegen aangelegd en marcheerden nu, zoo frisch of ze pas uit hun bedden kwamen, als twee lustige broers den Boulevard Vaugirard af.

Ze keken elkaar eens aan, knikten goedig van ja, praaiden dan Louis: ,,hé Louis!... bonjour Louis!' — Legüenne kende Louis van uit de loge, Bonneau minder; ééns had hij hem, met Legüenne samen, gesproken voor een „zinc" in de Rue St.-Jacques. Ze waren lawaaierig hartelijk over en weer en er werden handen geschud. Louis was er aangedaan over. Kom, ze moesten samen een druppel gaan drinken; hij wou tracteeren, zei hij.

Legüenne, die alle gelegenheden uit den omtrek op zijn duim kende, had dadelijk zijn keus gedaan; ze gingen nu naar „Le Chat qui pelote" op de Place Vavin. Tien minuten later zaten zij voor het schaduwraam in den hoek bij de zinken toonbank aangeschoven.

— „Nee, geen borrels... nooit borrels voor den avond... wijn... enkel goede wijn..." zei levenswijs Legüenne; — zij hadden den heelen dag nog voor voor zich... en hij bestelde drie carafons.

Den donker-bruinen strakken stroohoed wat achterover op het hoog kale voorhoofd, zijn valige vel gespannen van de oogen naar de kaak, met een paar kleine roode vlekken als puistjes onder aan de slapen, die even hollig weggetrokken waren, zat hij menheerig losjes-onachtzaam met den eenen arm op de tafel geleund, en vertelde op een lakonieken toon, wat meesmuilend zelf, verhalen, waar de anderen zich soms slap om lachten.

Sluiten