Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Robert, die weinig zei, zat gezapig achterover in zijn stoel, zijn handen in zijn zakken; het Zondagsche Sequah-hoedje stond hem even schuins op zijn dikke, zwarte krulhaar; hij had een vol en welgedaan gezicht, wangen van 't gezondste rood en bronzigblank langs het kleine, donkere snorretje; zijn oogen, groot en bruin, hadden vaag een waterigen glans ervoor, doordat hij al aardig gedronken had.

Maar Louis, zijn pet lodderig in 't gezicht, hing op zijn stoel als een .zotte, schrale hansworst, die niet bij hen hoorde. Hij had een dwalerig gekijk in zijn kleine, grijze oogjes, lachte plotseling met afgebroken lachjes, keek dan verbaasd de twee anderen aan en lachte weer. Soms kreeg hij plotseling een inval, klopte, zonder aanleiding, midden in een gesprek Legüenne of Bonneau op den schouder, zei: „hola! bon bougre!" of „voila, mon vieux..." en zat dan vergenoegd weer voor zich uit te kijken. Hij probeerde ook wel eens een verhaal op te zetten, maar kon dat niet vlot ten einde brengen, en Legüenne, onder den goedigen spotlach van Robert, zette daar dan bazig direct een nieuw verhaal overheen.

Bij de tweede drie carafons bleef de waard, zooals hij dat meestal deed, aan hun tafeltje staan praten; hij loensde een beetje bevreemd naar Louis, maar Legüenne en Bonneau, daar had hij respect voor, dat waren jongens van sta-vast...

Robert, in zijn kortsprakige manier van zeggen, somde hun heldendaden van den morgen op: „een „quart" bij „le père Boubelinot," Rue St.-Jacques; een „quart" in den „Maquereau Doré;" een liter samen bij Bonvalet in de Rue de la Gaité; nog een liter samen in de Taverne Barbotte, waar ze hun middageten hadden genomen; en een quart bij Tourtel in de Rue Mizon..."

Sluiten