Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achteraan. Louis was nog niet moeilijk om te loodsen, hij liet zich zoo maar wat losjes gaan en met een steuntje onder den arm bracht hij het er aardig goed af. Maar Carpentier was te veel op zijn fatsoen gesteld: die deed vijf, zes stappen stram-recht als een recruut, die op 't lijntje moet loopen, betoogde voldaan, dat hij niet dronken was... maar bij den zevenden pas deed hij zoo'n zijstrubbel, dat Robert moeite had op zijn eigen beenen te blijven staan, en drie, vier stappen lang waren zij dan nog heelemaal van streek. Weer op gang gekomen, lachte Emile met een slim gezicht, kneep zijn blinde oog stijf toe, om met het andere beter te zien, en richtte zich strak naar de lijn van het trottoir... een half huis ver stevenden zij als een paar koersvaste fregatten, tot Carpentier weer in zijn beenen verward raakte...

Voor een grafkransenwinkel op den hoek van den Boulevard Edgard Quinet hielden zij stil en beraadslaagden; 't was dezelfde winkel, waar Louis dien morgen had staan kijken. Een middelgroote krans van allemaal fijne, zwarte kralenboogjes, met in het midden, binnen een rand van rouwviolen, de witte letters „au revoir," hadden ze al gauw in 't oog gekregen. Hij stond acht franken geprijsd. Louis was tot tranen toe geroerd over het mooie van dien krans.

— Twee francs de man... dat waren ze... op Allerzielen... toch wel aan een... vriend schuldig... un pauv' type... die zoo treurig... aan zijn eind was gekomen...

Hij vergat heelemaal dat Legüenne en Bonneau zijn Jean Pichard zelfs nooit hadden gezien. Maar die, in de neveligheid van den wijnroes, hadden zich geheel mee ingeleefd in de gebeurtenis; zij

Sluiten