Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anderen deden, veTknoezelde ze met huid en haar, en trok vieze knauw-gezichten.

— „Hij vreet ze met baard en al op!" schimpte Carpentier.

— „Niewaar!" zei Louis en kreeg een kleur, „dat is juist het lekkerste."

Maar alleen Legüenne was nog nuchter genoeg om zoo iets diepzinnigs te snappen. Grinnikend schoof hij hem zijn schoteltje baardjes toe.

Nu was het de beurt der warme kastanjes; zij pelden er de brokkelende basten af, en koelden de heete vaste brokken in hun mond met teugen rooden wijn.

Nog een laatste glaasje sloegen zij om tot besluit, en, aanmerkelijk opgekikkerd, een béétje dronkener maar dan zij kwamen, stapten zij op.

Klein onderlangs den geweldigen bronzen leeuw van Belfort, ronkten als groene torren de trammen Montrouge-Gare de" 1'Est elkaar voorbij.

— „Gingen we nou maar naar Montrouge," begon Carpentier weer te zaniken.

— „Hou je waffel," snauwde Legüenne. — „Maar waarom zou'en we niet terug trammen tot de Place de Médicis," zei hij met een geheimzinnigen grijns, „en daar Ivry-Les Halles nemen ?"; hij vond 't een dol-bezopen idee, heelemaal de stad weer in te gaan met dien krans.

— „Hè ja!" glimlachte Louis met een gezicht als een vergenoegde zuigeling, „dan zijn we er gauwer!"

— „Complet," las Legüenne voor-op de tram, die ijlings langs hen weg stommelde.

Doch Robert had een gevoel van onlust gekregen bij die tram „Les Halles" — met zijn dikken kop van hen af, of hij 't niet hoorde, stak hij plots

Sluiten