Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Va pour ton cimetière!" grauwde Bonneau.

Legüenne en hij, als kenners, spiedden de boulevard-lengte langs, de zijstraatjes in, maar ze waren vreemd in dit „quartier," ze zagen niets dat leek op een wijnhuis of een tapperijtje.

— Wat voor volk of hier toch huisde, foeterde Legüenne... wat voor kerels als leerelappen, die nooit hun mond eris omspoelden... al kon hij hier rijk worden, hij wou er niet wonen...

Dan herinnerde Bonneau zich, dat hij aan 't begin van de Avenue de Choisy eens ergens gezeten had...

— „Allons-y," zei Legüenne, en met hun loome waggelbeenen voorzichtig schuifelend over het regen-gladde asphalt-pad, scharrelden zij het laatste eind van den boulevard af; Carpentier en Louis zeulden getroost mee, want de weg, dien zij gingen, was ook de weg naar 't kerkhof...

Maar als zij dan, van een eindje, op de huiverleege Place d'Italie de lantarens al flikkeren zagen onder de duister-roze regen-lucht, — en een huis of wat van hen af knarste daar, verleidelijk piepend aan zijn ijzerstang, een groote eend heen en weer in den wind — 't was verdraaid een kroeg! —, dan sjouwden Legüenne en Bonneau er zonder beraadslagen binnen, en daar zij den krans hadden, konden Louis en Carpentier wel niet anders dan volgen.

„Au Coco blanc," bij Charles Bobillot, was een schunnige taveern; de laaggezolderde pijpela, in den roeterigen schemer — weifelend nog door het ééne smalle tralieraam — leek een vormlooze grauwbruine indieping naar, heel in de verte, een rosbelichte en schaduw-zwarte groep van kerels, die, bij de roode vlam-punt van een looplampje, in een dichten rookwalm zaten te kaarten; dichterbij, om een ander tafeltje, hingen, in 't vaal-dampig

Sluiten