Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Louis eens aan; Louis kermde akelig naar den grond. De twee anderen hadden volstrekt geen haast. Maar Carpentier zeurde net zoolang, tot Legüenne „vooruit dan maar!" zei; hij begon ook naar wat eten te verlangen. Louis kwam verwezen rechtop zitten. „Vooruit dan maar!" zei Legüenne nog eens.

Toen 't op betalen aankwam, vroeg de waard zes francs.

— „Fichez-moi la paix! six francs?! Foutu canaille!" schreeuwden Legüenne en Bonneau dooreen, — zes franken voor zes cognacjes en een paar glazen bier! — was hij wel goed snik?

Maar de kerel liet geen centime vallen, — hij had twee rondjes borrels geschonken en tweemaal een rondje bier ernaast...

— Zés borrels had hij geschonken bij hen, geen acht, schreeuwde Legüenne weer terug, en van dat tweede rondje bier had hij niets gemerkt...

De waard haalde de schouders eens op, grimlachte met meerderheid:

— „Zes francs," herhaalde hij brutaal-laconiek.

Bij de kaarters achterin was plotseling een woest

gegier en 't krijschen van twee twistende stemmen daarbovenuit; — „Bobillot!" werd er geroepen, „Bobillot!"; een stoel kletterde om en de vlam in het looplampje joeg rood-stoomend omhoog van een pats op het tafelblad.

Terwijl de waard er heen was, keken de vier, beteuterd, elkaar aan, onder de schimpscheuten en het schamper gegrinnik van het dievenpak achter hen. Dan zaten ze te rekenen en slimmigheden uit te broeien in hun verwilderde koppen. Louis alleen, met sidderwitte oogspleten, sufte.

De waard kwam terug; — „alors?" sarde hij.

Legüenne, die nog wat geld voor den avond

Sluiten