Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bonneau kwam er plotseling van bijgeleefd, sloeg ook al met zijn handen op z'n knieën en lachte met zijn bulderigen, zwaren lach —; de souteneurstroep joelde mee.

Louis werd wakker, stotterde: „wat? — wat?" — Alleen Carpentier hield zich koest, omdat dat verdonkeremaande geld hem te veel benauwde.

Maar Legüenne, bang dat de klucht nog misloopen zou, begon te dringen tot heengaan.

— „Voila," drukte hij den waard de krans in zijn maag „au revoir, la belle couronne!" — loodste de drie mannen naar de deur; even moest er nog gezocht naar Louis' pet... dan, in een verwaaid geschater en een bolle, natte luchtzuiging, wankelden zij uit den gelen warmte-walm den killen nacht in.

— „Hè hè hè hè hè!" — Legüenne, met zijn rug tegen den huismuur, viel bijna overzij van 'tlachen; „fichtre! die was goed... nou zat die kastelein daar met die krans!... la sacrée couronne!... au revoir! au revoir!"... hij kreeg den hik van 't hinniken.

Bonneau met zijn bromstem, begon te zingen, al zwaaiend met zijn hoed:

„Au revoi-re Jean Picha-re.''

Maar Carpentier en Louis leunden als twee schooven tegen elkaar aan, en toen Louis uitgleê en met zijn eene knie op het asphalt kwam te liggen, kon Carpentier hem niet meer öpkrijgen; zijn eigen beenen tuimelden in 't ongewisse voor malkaar weg...; eindelijk zaten ze naast elkander op 't spiegelend plaveisel.

Bonneau en Legüenne riepen een fiacre aan, maar ze waren zelf te ver weg, om de twee erin te hijschen; de koetsier moest van zijn bok afkomen;

Sluiten