Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Madame Lourty, met dezelfde zachte verwondering en gelatenheid, knikte dat het goed was; zij ging hem vóór naar de eetkamer, waar zij hem een stoel bij de tafel schoof, zelve een anderen nam, en wachtte op wat hij zeggen zou.

Toen Célestin in dat helder-lichte, wat karige en te koele vertrek - want er brandde nog geen vuur — tegenover het vrouwtje zat, dat met haar vriendelijk, zorgelijk-bleek gezichtje en haar weemoedige, stille oogen hem zoo open aanzag, toen bewoog er iets onbekend-wonderlijks in zijn hoofd: een plotselinge opklaring, alsof hij een minuut te voren van het gansche leven nog niets verstond en nu, zoo op eens, tot het volledig en juist begrip daarvan geraakte. Hij doorzag het veelkantige van al het klem en ontzaglijk menschelijk gebeuren...

Wat was hij hier toch als een wildeman binnen komen vallen, alleen maar om Jozette van een geringen last te bevrijden, — en geen oogenblik ad hij bedacht, dat die last niets was, vergeleken bij de smart, die een andere van hetzelfde hebben moest.

Heel zijn drift was gezakt; met een hulpzoekenden b^k keek hlJ het vrouwtje tegenover hem aan, doch die pnafgewende vragende oogen, waarin een onrustige bevreemding nog ging aangroeien, verwarden hem te meer. Hij tuurde omlaag; op de tafel stond een medicijn-fleschje; hij trachtte, zonder te willen het etiquet te lezen.

't Was of de seconden zwijgens zonder eind waren. — „U is immers een van de schilders, die wij lederen dag in den tuin zagen werken?" vroeg madame Lourty ten laatste, om aan die stilte te ontkomen.

Celestin knikte. En toen, zachtjes, zonder berekeEen huis vol menschen.

Sluiten