Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij was zoo onbezonnen... hij had het van te voren niet alles overleid... hij begreep nu wel dat het voor hèn niet iets ergs was... zij moesten niet klagen... maar 't was toch wel goed misschien, dat hij gekomen was... er moest geen misverstand tusschen hen bestaan... Madame Lourty moest van hun goeden wil overtuigd zijn... misschien kon zij dan raad geven, wat hij doen moest, om zijn vriend en... het meisje uit die kleine onrust te helpen...

— „O!" zei madame Lourty, hoog-rood wordende, „uw vriend behoeft volstrekt niet ongerust te zijn... als het meisje zelf geen aanleiding geeft."

— „Nee, nee," zei Célestin met vuur, „dat doet zij niet... zij is de ingetogenheid in persoon."

Het vrouwtje had een koele hoofdbuiging van verstaan te hebben, met een in 't beleefde gehouden twijfel daarin, aan de waarheid van wat ze hoorde. Dan werd haar gezichtje van een strakke ondoorgrondelijkheid.

— „Ik begrijp de onrust van uw vriend," zei ze; „die is onvermijdelijk, wanneer men zich in verhoudingen begeeft zooals hij." Zij keek terzijde.

Nu was het Célestin, wien het bloed naar de wangen schoot. Hij stond bruusk op, deed zenuwachtig met zijn baret.

— „Ik heb u onze bezwaren overgebracht," zei hij als een besluit van zijn bezoek.

Een oogenblik was zij overrompeld door zijn plotselinge weggaan; zij zocht iets te zeggen, vond niets.

Célestin mompelde vaag een algemeenheid van: het beste met den zieke. Er lag een pijnlijke spijt over zijn gezicht, toen hij groette en heenging.

Het vrouwtje, wat onbeholpen, liet hem uit; ze had nog graag iets willen doen of zeggen, om het onderhoud wat minder kortaf te doen eindigen...

Sluiten