Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu over voor een paar jongens uit Parijs, den zoon van een bekend schilder, die, alvorens voorgoed naar de Rue Bonaparte te „verhuizen," eerst enkele lessen volgde aan de „Arts Dépuratifs," zooals hij zei, en den zoon van een industrieel. — En de avonden bracht hij dikwijls buitenshuis door; driemaal in de week verontschuldigde hij zich bij Jozette: hij had een afspraak, hij had nog een avondcursus, hij moest naar een vergadering, hij moest naar de Duitsche artisten-club, waar hij geïntroduceerd was door den „professeur" beneden.

Hij vond zelf, dat hij ontzaglijk in algemeene ontwikkeling vooruitging; zóó leefde je pas, je hoorde van alles, je kwam tot allerlei nieuwe inzichten, je oordeel werd vaster... Hij had, in het Musée du Luxembourg, Moreau ontdekt... een maand later, er met vrienden zijnde, leerde hij, in het zaaltje Caillebotte, de „luministen" zien... die schijnbaar kakelbonte kleurendwarrel, waar hij altijd om gelachen had, dat opgezwollen vleesch vol paarse en roze-gele bulten van Renoir's naakt... je moest daar in-eens in komen... als je 't alles maar zóó in je neer liet slaan, dan zag je plots het fel-ware er van... je zag het licht trillen... Monet, Sisley, Pizarro, Raffaëlli... maar bovenal Renoir!..."; „ce soleil!... cette fraicheur!... cette intensité!..." Renoir, dat was een tijdlang zijn man.

Jozette merkte op, dat hij van woordkeus begon te veranderen en graag theorieën uiteenzette, die zij vaag zich ook van vroeger meende te herinneren, maar zij wist niet, of ze van Célestin waren geweest of van de jonge schilders, die zij bij Thierry had gekend. Hij las ook meer dan vroeger, verzen veelal; hij las er zoo wel eens stil-hardop voor zichzelf, in een wazig-verheven toon, en Jozette zei, dat zii

Sluiten