Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijd had opengezet, om van den grooten salamander wat warmte te doen dóórdringen, klonk het hakkelgestap van Germaine.

Die, in haar korte, beige-en-hemelsblauw gestreept moltonnen onderrok en haar wit nachtjakje, dat een sterkere bolling had waar het corset de te hooge heup nog niet bedwong, ging voor den pas-spiegel af en aan, en kapte zich.

Als zij de slaapkamer weer binnenkwam om het haar-gerei te bergen, stond Herz klagelijk te brommen:

— Hè, die Parijsche winters!... maar die slaapkamer van hen was toch ook bizonder koud, zoo vlak op het Noorden...

— ,,'t Is Parijs niet, en de winter niet, en deze kamer niet," zei madame Dutoit gebelgd... ,,'t is de haan van van nacht... je hebt niet geslapen door 't hanegekraai!"

Herz stemde goeiig toe. — Ja, hij had slecht geslapen; driemaal had die haan hem wakker gemaakt, en de derde maal had hij den slaap niet weer kunnen vatten...

— „Dan zijn we 't er over eens," zei madame Dutoit. Zij schoot schielijk een peignoir aan en liep naar de eetkamer, waar ze 't raam openkierde om even naar beneê te kijken. Het was, zooals zij gedacht had: in de saamgelapte ren op madame Legüenne's verwaarloosd stukje grond, tusschen de vier nog onwennig telkens wegfladderende kippen, stapte, koperbruin en groenig-zwart, met een geweldigen bloedrooden kam op zijn kop en een staart, die wapperde in de guurte, de nieuwe haan...

Madame Dutoit sloot snel het venster, gluurde dan, door de ruit, naar haar eigen tuintje rechts van het middenpad, waar onder het winter-ijle wingerd-berceau op de groene tafel en over de

Sluiten