Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Laisse-la"... zei Legüenne weer, en Jeanne wist niet of het spotzucht was of goeiigheid.

Als de beste stukken ten leste op waren en alleen het afgesneden karkas nog op de schaal lag, kreeg Legüenne den kop met den grooten getanden kam erop te pakken.

— „De hanekam, dat was het fijnste," proclameerde hij, de uitgezochte lekkernij der beroeps-smulpapen... maar toen het op proeven aankwam, wou niemand ervan hebben. Met lollachen en zotte gezichten, als twee speelsche honden, keilden de kerels het slapgrijze lel op eikaars borden: „mange-moi ?a!... mange-moi 5a!"... gierden ze, tot het ding eindelijk op den grond kletste en Robert het bij de beentjes lei.

Madame Legüenne kloof den hals en Jeanne, die den heelen schotel voor zich gezet had, sneed het karkas in drieën en gaf aan ieder een part.

Toen eindelijk alles gevild was en afgeplozen en uitgeplukt, zakte Gabrielle zoetjes achterover in haar stoel en zuchtte lang en diep, als in een groote verluchting.

— „Je zou zeggen, ze is blij, dat wij 't op hebben," zei Robert verwonderd.

Legüenne had Jeanne om het middel gepakt; voor één keertje mocht dat wel eens... een vrouwtje, dat je zoo lekker had laten eten... Jeanne, met haar goedwillige lachertje van chie-chie-chie, liet hem maar... hij was den heelen avond zoo aardig en gezellig geweest, hij had heelemaal niet van die verdachte dingen gezegd, waar zij niets van hield, en ook tegenover Gabrielle scheen hij haar van een buitengewone welgezindheid...

Aan het dessert zaten zij dan rustig en genoegelijk bij elkaar; onder een laatste glaasje aten zij de confituren met de biscuits, — zoo onschuldig-zoetjes

Sluiten