Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze zwelgde in 't werk, trotsch op alles wat zij Camille uit de hand kon nemen, trotsch ook dat zij, vrouw van bij de vijftig, dat nog klaar speelde als een jonge deern.

En dan, na het werken, het half uurtje gemoedelijk keuvelen in de wat donkere, maar gezellige loge... de kleine pop had dit gedaan, had dat gedaan... wat een schavuit al!... en den heelen nacht had ie doorgeslapen... en nou sliep ie alweer... geen wonder dat 't zoo'n beer werd... wat hadden ze daar een voorspoed mee! — Hortense was dol op den jongen!

Na een terloopsche vraag dan van haar schoondochter, vertelde zij, hoe 't in de Rue Barral gesteld was... Nog altijd tobben!... De Legüenne's gingen nu denkelijk weg, ja, en de Lourty's zouden ze ook wel van de baan knikkeren... maar die kreupele kraai van Dutoit, hoe ze die het huis uit moesten krijgen! En dan die schildersmeid op de vijfde... dat was de domste zet van haar leven geweest, om dat toe te staan...: „die bleeke spitse tronie" — Hortense trok hatelijk haar lippen vooruit en haar neus in rimpels — „hoe je vader 't een knappe meid kan vinden, begrijp ik niet..."

Camille, met haar fletse modiste-gezicht, waarin groot de bruine oogen, en boven de geestige mondhoeken twee fijne zwarte snorreveegjes, zat in een zachte verwondering en een lichtelijk zich ergerend vermaak haar schoonmoeder aan te kijken...

— „Mais," kwam ten leste haar zuidelijke, ietwat moewe stem — „wat kan ü dat toch allemaal schélen ? zoolang als de een van den ander geen last heeft en niemand klaagt er... wil u wel gelooven dat ik in de meeste appartementen hier nog nooit geweest ben? En Marcel nog veel minder- die heeft 't veel te druk met Emieltje!"

Sluiten