Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

thuis kon komen, en die het geld maar voor het geven had. Hij trok zijn schouders op, keek haar met een smadelijken blik aan: „Monsieur Reuilly komt vóór tweeën..." zei hij. Monsieur Reuilly was de huisheer.

Met opgetrokken wenkbrauwen vouwde hij het open aangeboden refu langzaam weer dicht —: „alors..." zei hij, en talmde de trap af.

't Was de eerste maal, dat madame Lourty haar huur niet betalen kon.

Een week geleden al, in angst van onrustige voorgevoelens, was zij beginnen te vragen: „Alphonse, het geld voor de huishuur, dat is er toch wel?" — 't kón er zijn, dat wist ze, als hij geen onverstandige uitgaven had gedaan, maar wanneer was zij zeker, dat hij die niet deed ? Dwaze inkoopen, als in 't begin van den zomer dat dozijn witte vesten, of, met October, die drie wandelstokken tegelijk, die waren er niet geweest; maar er was zooveel anders, dat ze niet na kon rekenen... hij ging soms bij de duurste kappers, gaf de onzinnigste fooien... och, 't was alles bij elkaar wel niet zooveel wat hij verspilde: een drie, vierhonderd francs per jaar misschien, maar bij hun kleine inkomen was dat juist de ruïne...

Lourty, die dagen, dofte weg in een van zijn broeiendst-neerslachtige buien — „Oh... dat gèld..." had hij gezegd met een troebelen blik, zwaar van afkeer voor alles en van doodelijke afgematheid, — „altijd dat gèld..."; in zijn stem lag al de walging en de hoon van een machteloozen haat.

Madame Lourty, bij zulke aanvallen, was vaak bang dat hij rondliep met aanvechtingen om zelfmoord te plegen; 't was als een onbekende diepe

Sluiten