Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gang in, voor de dichte logedeur, het rood-satinetten gordijntje schemerde, van als de Carpentiers zich aan 't kleeden waren, schoof ze snel naar binnen, aarzelde even aan de trap... Op de eerste verdieping hoorde zij een deur openen, een mannen- en een vrouwenstem losgalmen... Zij liep gauw een eindweegs naar boven... „Jeanne!" riep zij.

Het was Jeanne geweest, die bij dokter Valency uitkwam en de trap op wou naar haar toe. Met 'r trouwe bruine oogen, verschrikt en blij tegelijk, zag die om... er bewoog een verwarde veelheid van dingen in haar blik: verrassing over de onverwachte ontmoeting en beduchtheid voor het waarom daarvan; verschietende angstvragen van: Monsieur ziek? Etienne ziek? iets naars met Madame? — en door dat alles heen een warmte van toewijding en een kracht van verdedigings-reeën eerbied, die het vrouwtje als een lafenis en een sterking om haar berooide hart voelde gaan. En in een plotselinge rust en een overgegevenheid aan die trouw, stak zij Jeanne het papier toe:

— „Vite, vite, Jeanne," zei ze, „une dépêche..."

Jeanne rende de trappen af, de straat op. Zij was heftig geschrokken; haar bloed bonsde. „Een telegram," dacht zij, ,,wat zou er voor onheil wezen ?" Ze was de Rue Barral al uit, voor zij het papier nog had ingekeken. Onder de boomen van het square'tje stond zij stil, trachtte met een spitsing van al haar vermogens het geschrevene te ontcijferen... in groote duidelijke letters was het neergezet: „Orléans" spelde zij; — het getal 100 zag zij staan met het francs-teeken. Even begreep zij niet... „Och God!" wist ze dan plotseling, en een vloed van smartelijk medelijden overstelpte haar: — „zij kan haar huur niet betalen!"

Sluiten