Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De tweede week van Januari was al ingegaan, vóór Legüenne dan eindelijk zeker wist, dat hij nu tegen het eind der maand naar zijn Sénégal kon vertrekken...

Aan het ministerie, in het Pavillon de Flore, ging hij zijn handgeld beuren: hij was nu Staatsgeëmployeerde, meesterknecht-letterzetter aan het landsdrukkerijtje in de Afrikaansche kolonie! Monsieur Maretheux, zijn directeur in de Rue Cassette, die een zeer loffelijk getuigschrift van hem gegeven had — want Legüenne stond aangeschreven als een goed werkman, al was hij een enkel keertje wel wat boven zijn theewater geweest — verleende hem, op zijn verzoek, reeds met den daaraanvolgenden Zaterdag zijn eervol ontslag.

Dien eigen avond, met Robert en nog twee vrinden, was hij gaan fuiven, dat de stukken eraf vlogen; tachtig franken hadden zij kapot geslagen, de eene fijne flesch na de andere er doorgespoeld, geklonken op zijn gezegende reis, op den Sénégal, op de eeuwige vriendschap en de negermeisjes; ze hadden oesters gegeten en tot besluit waren zij op het Bal Bullier terecht gekomen, 's Zondagsavonds nam hij Gabrielle mee naar een schuin stuk in het Palais Royal en hij gaf haar honderd franken om haar schuld af te doen.

Sluiten