Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vierkante vak van uitmattend eiloof met maar hier en daar een roesterige of donkerder plek, waar de winter wat af had doen sterven.

Rechts, vóór aan het stoepje, was madame Duloit's tuintje pinter en frisch door Jeanne's goede zorgen: groen de palmrandjes langs het aangeharkte krakelingpad, blinkend de zilverbol op den ijzervoet, tierig het hoekje met al opfrutselende bolgewas-blaadjes onder den appelboom. In het hoender-berceau, met de moer-paarse wingerdstengels nog over zijn duigendak, kleurden vroolijk de schoongeregende bloempotten en de glanzend-witte en ros-bruine veeren der kippen, die er rondpikten.

Maar de andere tuinvakjes waren één vaalheid van winterverdorring; op het wildernisje achter het berceau lagen in verwaaide opeentassing de rottende blaaren saamgeveegd; het zomerhuis, waar Aristide en Célestin hadden gewerkt, stond open en kaal op zijn kaal zandpleintje; en het lapje grond van de Legüenne's was nog het meest onderkommen van al.

Het Grieksche kruis in het midden, afgesleten door de najaarsregens en door het onverschillige langsloopen, had zijn vorm verloren; wat er nog van restte, waren een paar ropperige hobbels van doodgegane zoden, en de planten uit de hoeken had Gabrielle binnengehaald.

Tusschen de houtramen der heining, gekronkeld door het rasteTgaas, stond als een uitgesleten zwarterige mat van windestengels gespannen, en enkele dicht-ineengekloende strengen der overhangende doode ranken sidderden triestig en bungelden heen en weer, zoodra er wat wind was. Het zeildoekdakje in den hoek, vergoord zijn rood en wit, en half vergaan, hing onwaarschijnlijk uitgezakt onder de brozr

Sluiten