Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mfTw-r,latjeS af' Sl°eg alles secuur in elka-.

kleerm\ kniptC Z® °P gr°otte met de

kleermakersschaar van GabrieUe, boorde er gaatjes

m, nagelde ze vast, schroefde van buiten de ijzeren banden om het hout. 'J^ren

Hij deed het alles heel bedreven en zaakkundig

aerich^ ,tOCh i6tS ^ Zijn bewe£Pn9en, in zijn gezicht vooral, waardoor hij bleef een „meneer,"

cue aan het timmeren was.

Het huis, met al zijn misprijzend op hem neer oerende ramen, kon hem, nu hij toch wegging minder schelen dan vroeger, toen hij alleen in' den tuin kwam om de kippen te verzorgen; een nkele maal had hij nog wel een schuwen blik en oogen gevel langs, maar meestal werkte hij afgewend van de vensters, - als er stonden te kijken, dan moesten ze maar op zijn toegedraaiden rug zien, dat hij lak had aan ze.

Eens kwam Carpentier naar buiten, op vilten sloffen en met een vaalgroen werksloof voor om het keienstoepje aan te vegen; hij groette maar met een schichtig-schelen oogknipper en een gemompeld: „froid... travailler... jardin."

. "~rSi,nds den zuiP-middag van Allerzielen deed die huisfrik zoo raar-teruggetrokken, of ie bang voor m was... Legüenne had er pret in, hem aan te klampen en vroeg bij den neus weg, wanneer ze nog eens samen uit zouden gaan.

Carpentier stootte zijn bezem schoon op de keien, of hij niet hoorde, keek dan loensch-kwaadaardig op-zij

- „Wanneer gaan we nog eens uit samen?» vroeq Leguenne andermaal, met een hooge fluitstem nu, o heel het huis het hooren moest.

— „Ga maar uit met je vrouw, die laatste dagen » zei Carpentier en slofte naar binnen.

Sluiten