Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar dienzelfden middag kwam er een tweede briefkaart van Legüenne: ze moest overkomen naar den Sénégal!

— „Ma biche," schreef hij, „tu vendras ton mobilier, moyennant quoi tu payeras tes dettes. Tu garderas ta machine a coudre que tu feras emballer chez Bailly, Place St. Sulpice. Au ministère tu toucheras un dépöt pour ton équipement, mais ne te fagote pas trop, les femmes par ici sont plutót rustiques. Et tu viendras par le bateau qui part le 3 Avril du Havre. — Philippe Legüenne.

Dat was een geschiedenis!

Dien eersten dag liep zij er bij iedereen dien zij kende mee rond, om raad te vragen; tot bij de melkvrouw, den baas uit haar gaarkeuken, en den concierge van de school naast de deur toe. Zij moest tien maal ieders meening weten, vroeg inlichtingen zonder eind en van de onnoozelste, of ze voor het eerst van haar leven over den Sénégal hoorde; maar in haar hart was ze al lang besloten te gaan. En met haar gezicht wist ze geen raad: ze vond zichzelf ontzettend belangwekkend, ze was uitermate gevleid, en ze wou ook dat iedereen zou voelen, hoe onmenschelijk zij werd getyranniseerd.

Den tweeden dag wist de heele buurt het: madame Legüenne ging naar den Sénégal.

Alleen Hortense Carpentier, met haar Vlaamsche ruwmondigheid, zei vierkant, wat ze de waarheid vond.

~ »^a chère" zei ze, „het spijt Legüenne, dat hij iedere maand zijn honderd franken voor je moet laten staan... twee keer is al mooi, heeft hij zichzelf gezegd, ik pas voor de derde. En weet je wat hij hoopt: dat je daar ginder wel gauw om zeep zult zijn, in dat beestige klimaat."

Sluiten