Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

direct... hij ging vroeg, om Aristide nog thuis te vinden. In 't ruwe ruimde hij zijn boeken en teekenwerk wat bijeen op dezelfde groot© schraagtafel, welke zij dien zomer in het tuinhuis van „le 118" hadden gehaald, — met een bakbeest van een ladekast, twee stoelen en een klein ijzeren ledikantje in den hoek, de eenige meubels, die er stonden in de lage leege mansarde —; hij propte zorgvuldig zijn ouderwetsche kolomkachel vol cokes uit de kist, die er neven blokte, dekte het vuur met een paar scheppen asch, dat het duren zou tot den avond, en kleedde zich dan aan.

Hij was veel veranderd van uitzicht de laatste maanden; zijn gedegen vleesch was wat weggeslonken door den ganschen winter stoer werken en de eigenlijke lijnen van zijn gezicht kwamen daardoor meer naar voren. Hij was misschien minder knap zoo, met de wat breeder uitkantende kaaklijn naar het oor toe en den hoekigen boog boven de oogen, die de onregelmatige wenkbrauwgroeisels droeg, — minder knap dan met zijn frisch-roode koonengezicht, maar energieker en ernstiger. Zijn artistieke pruik was halfweg afgekort; hij had nu zoo maar een kop vol dikke haren, te kort om te krullen en die vielen zooals ze wou'en. Zijn baret droeg hij niet meer. Hij had zich een doodgewoon flambardje aangeschaft, waarmee hij er uitzag als een wel interessante kantoorklerk.

En voor hij uitging, keek hij nog weer even in zijn kachel... de groote zolderkamer boven het holhooge houtpakhuis was koud, als hij niet goed stookte, en als hij 't koud had, kon hij niet werken. Zijn vuurtje, dat bleef een van de voornaamste bemoeienissen in zijn tot het allereenvoudigste teruggebrachte leven. Ze konden hem 's morgens koffie

Sluiten