Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indrukken, die dan dadelijk als met een toornig bloed vuurrood kwamen volgeloopen.

— Zij is boos over het rapport, dacht Célestin; diep-in wist hij wel, dat het iets anders was. Toch zei hij nog sussend: — „Stil maar, Jozette, ik kom Bibi al de les lezen... wij zullen wel maken, dat hij beter werkt."

Maar Jozette, met een vreemde, klanklooze stem, van verre weg, of het gehoorde haar eigenlijk niet bereikt had, zei: — „Heeft hij slecht gewerkt?"

— „Ja," zei Célestin, „weet je niet van dat rapport?"

En haar kin nog altijd op den handwortel, de saamgenepen vingers diep in het wangvleesch gedrukt, begon opeens Jozette fel en heesch te spreken:

— „Weten? weten? wat weten?... als je denkt, dat hij naar Roubaix is, omdat zijn moeder ziek ligt, en je hoort een week later, dat hij met vrinden naar Rouaan is geweest... als je denkt, dat hij geen cent geld meer heeft, en jij vertelt den volgenden dag, dat hij aan een ander twintig francs leent... weten? wat weet ik?... de conciergevrouw in de gang, die moet het mij vertellen: monsieur Baroche heeft met April de huur van zijn kamer opgezegd..."

— „Nee! nee! Jozette!" schrok Célestin.

Maar Jozette lette niet op hem; in één donkeren haastigen vloed vielen de schampere woorden, zwaar geladen van hartstochtelijkheid, in de dreigende stilte van het kamertje:

— „En als ik hem vraag, daar straks, dan draait hij nog... hij had het niet willen zeggen, omdat ik hier zoo gehecht ben... of ik het niet was, die altijd zei: verhuizen verhuizen, het leven hier is

Sluiten