Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „En Aristide wil niet... Aristide wil niet!" kermde Jozette... „hij zal mij niet met veertig franken naar Montmartre sturen... niet met veertig franken naar Montmartre... maar hij wil toch, dat ik wegga... hij wil mij weg hebben, weg hebben!"

Toen, als gebroken, viel zij weer voorover op haar armen en schreide.

Célestin's wanhoop zakte plotseling weg; hij had niet begrepen, wat zij zeggen wou met die veertig franken en Montmartre; in zijn verward hoofd was de nuchtere gedachte, dat zij veertig franken noodig had, dat zij daarop doelde... Zachtjes begon hij te praten: — als hij haar nu of ooit met iets helpen kon, of zij het dan toch zeggen zou... zij wist nu alles... zij zou zich nooit, door wat ook, gebonden hoeven te denken... zij zou altijd vrij tegenover hem staan... maar dat moest zij voor hem doen... in nood moest hij haar mogen helpen... wou hij gauw even naar huis gaan...? hij had niets bij zich...

— „Je zal toch geen dolheden doen, Jozette... je zal toch geen dolheden doen ?" vroeg hij weer angstig.

Jozette, met een schichtigen argwaan in haar oogen, keek naar hem op. Dan bedwong zij haar schreien, kwam overeind en ging de borden en glazen in elkaar zetten.

— „Nee, nee..." zei ze haastig, „wees maar niet ongerust, Célestin."

't Was Célestin een verluchting, dat ze weer iets gewoons zei.

— ,,Ik zal praten met Aristide," kwam hij dan goedig; hij deed zijn best sussend te spreken: „je moet je niet te veel zwarts in het hoofd halen; alles komt nog wel terecht, beter dan je nou denkt, Jozette; ik zal praten met Aristide..."

Sluiten