Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schutte zij de oogen met de hand, keek omlaag; diep in haar doffe, branderige blikken stak een pijnlijk gepeins.

Beneden langs het tuinpad kwamen twee vrouwen, die met flesschenrekken naar de schuurtjes gingen... Jozette wendde zich af van het raam, tuurde, met het voorhoofd in de hand, over het tafelblad neer... eens schreide zij nog... soms gleed een rilling als van koorts haar langs den huiverig smal gebogen rug.

Toen zij ergens in huis een klok twee uur hoorde slaan, stond zij schrikachtig op en ging zich verkleeden.

Zij trok een donkerblauw rokje en manteltje aan, die op een stoel achter het gordijn klaar lagen, poeierde rijkelijk haar opgezet gezichtje en knoopte een voile voor.

Dan klopte zij bij mademoiselle Villetard.

Zij was daar in verscheidene weken niet geweest. Na de mislukte bekeerings-pogingen iri het najaar, was het vrouwtje een tijdlang stug en vreemd gebleven, gekrenkt door het vergeefsche van haar bemoeiingen; de oude onderwijzeres in haar had die in den wind geslagen vermaningen maar zoo dadelijk niet kunnen vergeten. En Jozette, trotsch, had zich aanstonds teruggetrokken. Zij had er veel verdriet over gehad en de ware reden was haar nooit duidelijk geworden. Zij dacht, dat Mademoiselle beleedigd was geweest, omdat zij Aristide zoo onstuimig gekust had aan haar kamerdeur... En later was de goede verstandhouding wel weer hersteld geworden, had Jozette nog verscheiden vriendelijke middagen bij haar gezeten, en wel avonden ook, de lange avonden, waarop Aristide haar alleen liet,

— maar de innigheid van vóór dien tijd was toch verloren gebleven.

Sluiten