Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over haar pantoffels gestoven. Zij schrikte, trok ras den voet terug, keek dan, voorover gebogen, of het laken niet was beschadigd.

— „Wat is de zomer toch veel prettiger, hè? zonder die nare kachels..." vroeg ze.

Jozette stond zenuwachtig op, liep naar de balcondeur; zij boog het hoofd tegen het raam, bettend haar voorhoofd aan de koelte van de ruit en keek gespannen naar buiten. De coniferen-haag aan het linksche hekje stond dof donkergroen met roestbruine verdorringen; het overige was wintersch-kaal; de lange groen-houten bak, waarin dien zomer de anjelieren hadden gebloeid en de reseda en de petunia's, lag vol-gebold met een laag dorre bladeren, die tot een humusje moesten verregenen voor 't komende zaaisel.

Snel keerde Jozette zich af.

Mademoiselle Villetard had ter sluik haar eene pantoffel uitgetrokken, tuurde van dichtbij, met haar zwakke oogjes, die op zwart slecht meer onderscheidden, of toch de vonken nergens een gaatje hadden gebrand...

„Hé," zei ze dan opeens, „ben je wel goed, Jozette?... je ziet zoo bleek."

Maar Jozette, met een schuwen hoofd-ruk, zei een haastige ontkenning; zij ging van de balcondeuren weg, zat weer aan tafel, afgewend van het raam.

Zoo praatten zij nog een oogenblik, een haperend gesprekje.

Eensklaps stond Jozette op.

— „Ga je nu al weg?" vroeg mademoiselle Villetard, maar zij vroeg het zonder veel drang, want zij was, door haar onderbroken middagslaapje, nog wat soezig in het hoofd en het praten vlotte zoo weinig.

Sluiten