Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den bleeken nacht; verlaten zaten zij over elkaar aan hun tafeltje, zonder te spreken.

Celestin kon bijna de brokken niet door zijn krop krijgen; ook Aristide at met minder lust, verweerde zich, als hij, bijna klaar, 't nog meer dan half volle bord van den ander zag; ,,'t smaakt mij ook niets... om twaalf uur heb ik heelemaal niet gegeten..."

Célestin, ondanks zijn feilen afkeer in dat uur voor Aristide, voelde zich toch aan hem gebonden als aan het eenige, dat hem overbleef van Jozette... Wat zou zij nu doen...? ^A/aar zou zij zijn?... een duizelig, barstend gevoel was er in zijn kop... maar gauw eten... jachtig schrokte hij de stukken ragoütvleesch naar binnen... zij hadden geen tijd te verliezen... het geweldige van Parijs sloeg hem door de gedachte... de wanhopige onmogelijkheid, daar iemand te zoeken... die doolhoven van honderden, honderden straten en overal die1 rook-grijze café's en die veeg-lichte inkijken van armelijke hotels en maisons meublées... hij dacht aan het rustig huis in de Rue Barral, dat zij daar dien middag nog was... vlak bij hem, in die kleine Tcamer... dat zij daar geleefd had, weken en weken, zóó onder zijn bereik, en dat zij nu weg was en dat geen macht ter wereld hem op dit oogenblik zou kunnen zeggen, waar zij ging, of zat, of wachtte...

Waarom had hij haar niet beetgepakt, daar straks, en tegen zich aangedrukt en gezegd: „ik laat je niet los, ik laat je niet meer los, je zult bij me blijven, hóe kan me niet schelen, of je van me houdt of niet... ik zal voor je zorgen, altijd... en dan later... misschien..."

— Nu... zou zij nog leven?... waar?... waar?... Ongelukkige die hij was, om zoo dadenlioos weg te gaan... Dat werd om krankzinnig te worden,

Sluiten