Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij dwaalde de leege wachtkamers door en nog eens langs de afgesloten doorgangen der treinenkaden... een locomotieffluit gilde, lachte flauwtjes na... dan woedde er een geweldige uitpuffing van witten stoom... Een wroeging greep Célestin in de keel... „stommeling! stommeling!" schold hij zich... waarom was hij daar eerst eens kalmpjes gaan eten? waar had hij zijn gedachten gehad? hoe was hij niet onmiddellijk in een rijtuig naar het station gejaagd?... ze zou er misschien nog gezeten hebben!... „oh!... oh!..." kreunde hij hardop.

Toen hij weer in de duistere1 Rue de Rome was, zag hij eensklaps Jozette voor zich uitgaan... een verdwaasde vreugde zweepte in hem op... met lange, straffe passen liep hij, liep hij, achterhaalde haar... zij wendde zich om... twee visschig-glimmende oog en onder een zwarte haarrol en een veile fletse mond in het vaal-licht gezicht lachten hem toe: — „tiens, mon vieux," zei het mensch, ,,t' es pressé! j'aime 5a!" Zij wilde haar arm om zijn middel slaan... Célestin wankelde achteruit: — „ah, non, non...» steunde hij en keerde zich af. Zij lachte luid-op met een andere, die erbij kwam geloopen. En als hij tien huizen verder was, praaide hem er nog weer eene, een oudachtige vrouw al, in beige laken, met wreed-blauwe oogen en rood-felle lippen in een gepoederd rimpel-gezicht... Dat waren daar de trieste schepsels, die azen en dolen in de kille avondstraten om de stations, biedend den heul van hun lauwe lijf aan verlaten reizigers, die in den nacht het holle, wijd-om-ronkende Parijs binnengaan.

Op den hoek van een straat was een café met vele ramen. Célestin had op eenmaal het sterke gevoel, dat Jozette hier zijn zou. Als hij in de

Sluiten