Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als zij onder uit de straat een verward tumult hoorde oprazen... zij schoot ijlings naar het raam, rukte het open om naar beneden te kijken...: een aanstorting van menschen langs het trottoir; madame Carpentier, heftig gebarend; een jonge vrouw, die zij wist dat in hun huis woonde... en achter drie mannen die hem terughielden, Lourty.

— „Alphonse! Alphonse!" riep doodelijk verschrikt het vrouwtje naar beneden. Zij voelde den grond wegzakken onder haar voeten.

Even had het stemmen-rumoer in de diepte gezwegen, waren de hoofden omhoog gegaan; zij zag Alphonse zich los worstelen uit een mannenhand die zijn arm greep, en zich in huis werpen... Zij klemde zich vast aan het raamkozijn... een geweld van woest öp-vluchtende voeten holderde in het trappenhuis nader... Zij hoorde het als een plots los-ratelend onweer door haar hoofd slaan... dan geraakte zij tot bewustzijn, dwong haar onvaste beenen naar de voordeur, gooide die open... Juist kwam Lourty het laatste trappeneind opgestormd. Door een zuiging van tocht — zij had ihet eetkamerraam wijd open laten staan — hijgde hij langs haar heen, vloog de slaapkamer binnen en knarste de deur in 't slot.

In een zwenk had zij zijn hoogroode, hevig ontdane gezicht gezien en de gloeiende blauwe oogen daarin star en gesperd van angst.

— „Alphonse!" Zij rukte aan den deurknop... de deur bleef gesloten.

Onder-uit den put van het huis klaterde praten en schreeuwen als van een twist en onbedaarlijk huilen, of daar iemand een zenuwtoeval had; er kwamen mannen-laarzen de trap opgebonkerd; luid galmde de stem van madame Carpentier; het trap-

Sluiten