Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouwtje, naast Jeanne bij het raam, hield de oogen gesloten. Als even later de dokter bij hen binnenkwam, wenkte hij madame Lourty mee naar het ziekevertrek.

Jeanne troonde toen Etienne het salon in, waar hij zijn prentkaarten-album had.

Het hoofd even gesteund in de lage kussens, de dekens strak om hem heen getrokken, lag Alphonse in bed... Madame Lourty zag een forsch-gebouwden jongen man in het zijkamertje verdwijnen.

— „Hier is Madame," zei de dokter.

De zieke steunde lichtelijk, keek niet op en verschoof even in de kussens, of het liggen zoo hem pijn deed.

Madame Lourty zag, dat een lok haar hem op het voorhoofd hing en dat zijn rechteroog knipperde, omdat het onderlid voortdurend beefde. Maar anders merkte zij niets vreemds, en toch huiverde zij alsof zij aan den ingang van een duisternis vol verschrikkingen kwam.

Even, vaag, zag hij haar aan, dan dwaalde zijn blik weer heen, stond in den hoek van de kamer stil; hij tuurde, luisterde... gespannen luisterden de turende oogen, die diep werden en ver weg.

— „Nee... nee..." mompelde hij, „nee... stil... ik kan niet... niet weg... en jij... houd op... houd op!" Er kwam een stijgende ontzetting over zijn bleekere trekken gestreken.

— „Spreek tegen hem," gebood stil de dokter; madame Lourty leunde hulpeloos tegen het voeteneind-beschot van het ledikant.

— „Alphonse," zei ze zwakjes, „kan ik niets voor je doen, Alphonse?"

— „Spreek meer," gebood de dokter, die nauwkeurig toekeek.

Sluiten