Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plotseling in een gansch nieuw licht. Dezen morgen had hij een briefje ontvangen: — daar Madame Alphonse Lourty, door de schokkende gebeurtenissen der laatste dagen niet in staat was zich met eenige regeling van zaken in te laten, verwittigde de secretaris van den heer Henri Lourty hem bij dezen, dat men zich houden zou aan het door den heer Carpentier schriftelijk uitgesproken verlangen, en dat Madame Alphonse Lourty tegen 15 April haar tegenwoordige woning dacht te verlaten.

Toen hadden de Carpentier's spijt.

Hortense bekende zichzelf, dat zij al dezen tijd toch wel meer medelijden met het vrouwtje had gehad, dan zij zeggen wou, en Emile bekende zich hetzelfde. — ,,'t Gevaar voor het huis is geweken," zei hij, „de huur is gewaarborgd: haar broer zal haar wel helpen; ze kan blijven."

Dadelijk, tusschen twaalf en twee, tramde hij naar den huisheer.

»Ja>' zei Reuilly, „als u zeker is, dat die advocaat voor de huur instaat, kan 't mij niet schelen."

En zoodra hij van zijn atelier kwam, toog hij naar boven.

Madame Lourty's gezicht, op 't zien van Carpentier, trok star en gesloten. Zij was zoo enkel aan plagerijen van hun kant gewoon, dat zij niet anders vermoeden kon, dan dat hij haar moeilijkheden in den weg kwam leggen betreffende de huuropzegging.

Ze zei dadelijk uit de hoogte: „Indien u zaken wenscht te bespreken, moet u zich wenden tot mijn schoonbroer in Orleans... ik zal u het adres geven."

— „Zoo..." kwam Carpentier, uit het veld geslagen. Hij keek verbluft in het entrée'tje rond, voelde dat zijn blik daardoor onbescheiden werd; hij zocht dan nog een zeggen te formuleeren van dat het

Sluiten