Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afscheid; onverschillig liet hij de twee francs, die Célestin hem gaf, in zijn broekzak glijden, trok zich het zeel weer om de borst en denderde met zijn leege karretje de straat uit.

Célestin, nog troosteloozer, toog de trap op en zette zich boven met een verwoeden ijver aan het regelen van zijn boeltje.

Dien avond zat Célestin met naast zich op de schraagtafel zijn kleine studeerlamp en zijn werk gereed gelegd om te beginnen, maar hij werkte niet. Zijn handen onder zijn hoofd, zat hij, en keek, en kon het ellendige denken niet laten. Het kamertje was wel gezellig geworden met zijn bed half achter het turkoois gordijn, de commode waar de rustbank had gestaan, en op den schoorsteen zijn bronsgroen borstbeeld van Dante; weerszijden den spiegel hingen photographieën uit den Louvre, en achter hem, boven de commode, een aantal eigen teekeningen, — maar onder dat helgekleurde en blank-omrande wist hij de donkere schaduw, die daar niet weg wou. Zijn hart was vol van een schrijnenden weemoed, die hem zou hebben doen schreien als een kind, had hij zich niet geschaamd voor zichzelf.

Dit was niet de radelooze ontredderdheid van dien afschuwlijken avond, toen Jozette plotseling verdwenen was en hij zijn verdwaasden zwerftocht door Parijs ondernam; het was ook niet de vlijmende foltering van dien anderen avond, toen, voor de eerste en eenige maal, tusschen het weelderige cocotten-gewemel van de Caves de 1'Olympia, hij haar terugzag... Het leed van dezen avond, het was minder en het was meer tegelijk, dieper onherroepelijk en wreeder klaarbewust, maar gelatener ook.

Een huis vol menschen. 33

Sluiten