Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als een waanzinnige was Célestin de straat weer opgeloopen.

Dagenlang had deze verschijning van Jozette, die niet meer Jozette was, hem als bezeten; altijd zag hij dien lach, dien oogen-glimp, en het wulpsche gebaar van den man, die bij haar was.

Dan, langzaam-aan, was dat alles verbleekt; het was niet minder afzichtelijk geworden, maar onwezenlijker, een booze droom. Hij kon weer denken aan Jozette, zooals hij ze gekend had, een gansch jaar lang, — met diep in zijn hart nog telkens knagend het onverwoestbaar nachtgezicht...

Nu, hier, op dit oude kamertje, waar hij Jozette had zien leven dag aan dag, voelde hij weer, hoe lief hij haar had gehad! Vóór hem op tafel lag het zwartglimmende miniatuur-notitie-boekje, dat zij altijd in den hoek van het raamkozijn had liggen; — Aristide had het daar vergeten.

Met een potloodje zoo fijn als een spijker, dat in de drie gleufjes langs de snede stak, had zij daar in haar gedrongen achteroverliggend schrift, tusschen huishoud-uitgaafjes, allerlei opgeteekend, dat haar inviel of waar zij aan denken wou... daar waren dingen bij van een ontroerende kinderlijkheid: „bloemen water geven", „bloemen water geven" las hij bovenaan een aantal blaadjes na elkaar; hij herinnerde zich, hoe boos Aristide eens was geweest, toen zij, door nalatigheid, een glas Oost-Indische kers op den schoorsteen had laten verwelken. „Witte aardbeien" las hij op een ander blaadje, zij had die zeker willen zien te koopen, want hij wist nog hoe, als jongen reeds, Aristide een wonderlijken hang naar die vruchten had gehad.

„Choufleur au gratin" las hij weer: — dat was een lievelingsschoteltje van Aristide... Dan was er

Sluiten