Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofd, dezen avond... Hij zag zich door het leven gaan, een degelijk en bescheiden mannetje, met een beetje lawaai aan de oppervlakte... en later, hij zou niet anders zijn dan de anderen, hij zou wel een braaf meisje trouwen... hij zou wel van haarhouden.

Maar hij voorvoelde het zoo fel: daar zouden droomen zijn, in verre onbestemde nachten, van een zoo vreemde vlijmende zoetheid, waaruit hij ontwaken zou met die oude knauwende pijn... er zouden toevallige oogenblikken zijn in de dagen, altijd weer, plotseling, na jaren... er zou altijd die zeere plek blijven in zijn hart... Jozette... Jozette...

Dan hoorde hij eensklaps weer de woorden, die het bleeke vrouwtje van den érotomane eens tegen hem zei over Aristide: „wanneer men zich in verhoudingen begeeft als uw vriend..."

En dat was misschien de wondendste gedachte, die dezen ganschen avond bij hem opkwam: de gedachte, dat het béter was, dat hij Jozette niet had getrouwd; het weten, dat een meisje als Jozette toch in zijn klein-burgerlijk leven niet zou hebben gepast; dat het liefste, wat hij kende op de wereld, toch aan zijn diepste wezen vreemd was.

Célestin zag het huis, waar hij was opgegroeid, in Roubaix, de groote, oude kosterswoning in de schaduw van den St. Martin; zijn oom, een oud zwaar man, hij leek een eerbiedwaardig priester, zooals hij, in zijn lange zwarte kostersjas en met het zwart zijden kalotje achter op het kalige hoofd,

bij het lage ruitjes-raam zat met zijn courant ;

en zijn oude nicht Barbe, die in het groote, roodgeplavuisde keuken-vertrek voor 't fornuis stond —; zijn tante Augustine, met haar jicht, lag boven in haar wijde, blank-omplooide bed, of zij zat, met haar vredige, bleeke, nog jonge gezicht, in den

Sluiten