Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bois of naar St. Cloud, en op den terugweg kom je Boulogne door..."

In de buurt van haar pensionnaat had zij, bij burgermenschen, in een dorpelijk huis van maar twee verdiepingen een paar groote vroolijke kamers aan straat kunnen huren; de overtollige meubels mocht zij bij hen op de vliering bergen.

— „Van uit den éénen raamhoek zie ik de eerste boomen van het Bois, en van uit den anderen de Seine en het aqueduc van Montretout," zei ze nog fleurigjes.

Toen kwamen haar de groote, stekende tranen in de oogen geschoten.

't Was harder nog dan zij gevreesd had dat het zijn zou, dit heengaan uit de woning, waar zij de laatste zes huwelijksjaren van haar leven, hoe droeve dan ook, had gekend.

De slaapkamer was reeds geheel ontruimd; hol gaapte het vierkant van gelige papierwanden; een donker-grijze spinrag-flard, half losgerukt, half kleven gebleven, beefde langs het muurstuk, waar de spiegelkast gestaan had... In de eetkamer stak nog, verlaten, het buffet in de stoffige ruimte vooruit, en het entrée'tje lag vol stroo en plukken houtwol. Alleen tikte, boven de deur, met een haastig zuchten tusschen zijn tikken door, het Zwitsersche klokje.

Jeanne, om haar aandoening te verbergen, boog zich, raapte een handvol stroo bijeen, wierp die in een hoek...

— „Ik ben blij, dat Madame het zoo goed getroffen heeft, maar ik zal toch altijd Madame blijven missen," zei ze schor.

„Ik jou ook, Jeanne," zei het vrouwtje eenvoudig; en dan, lief-bezorgd: — „maar jij zelf... nu madame Dutoit weggaat?"

Sluiten